polderkreek


Langs de Schelde op het grondgebied van de deelgemeenten Bazel, Kruibeke en Rupelmonde ligt het natuurdomein van de Scheldepolders. De structuur van dit laaggelegen gebied is, sinds de aanleg in de middeleeuwen, nauwelijks veranderd.

De aanwezige flora is typisch voor vochtige gronden en dient hoofdzakelijk voor de waterbeheersing. Aanvankelijk behoorde dit gebied de Schelde toe, maar het verlandde geleidelijk door aanslibbing. Volgens sommige bronnen zouden de Germanen met de inpoldering begonnen zijn rond de 9de eeuw. Zij bouwden de eerste primitieve dijken om de springvloed te keren. Ze legden deze dijken of broekdammen op grote afstand van de rivier aan en beschermden zo de hoger gelegen, bebouwde gebieden. Om dit moerassige gebied verder in te polderen, werden opgehoogde wegen geconstrueerd. Langs beide zijden van deze damwegen of gaanwegen werden diepe sloten gegraven, waarlangs het water afvloeide. Door de werking van de getijden in de Schelde lagen de polders meestal onder de waterspiegel en kon het overtollige oppervlaktewater slechts bij laagtij in de rivier geloosd worden. Om deze laaggelegen vlakten te draineren en te ontdoen vanpolderlandschap hun oppervlaktewater, ontwierp men reeds bij de aanleg een ingenieus systeem met beekjes, dijksloten, twissels en afwateringssluizen. Dit oude systeem, dat waarschijnlijk in zijn totaliteit enkel nog in dit gebied gebruikt wordt, bewijst nog dagelijks zijn doeltreffendheid.
Ondanks alle voorzorgsmaatregelen bleken de dijken dikwijls te zwak voor de kracht van een stormvloed en overstroomden de polders meermaals. Getuige daarvan zijn de kreken, die ontstaan zijn als gevolg van dijkbreuken.

Enkele jaren geleden bouwde men langs de Schelde, in het kader van het Sigmaplan, brede, stevige dijken, die de oeverbewoners moeten beschermen tegen overstromingsgevaar. Nu wil men echter nog een stap verder gaan en het titanenwerk van de Germanen (incluis fauna, flora, recreatie...) vernietigen door van de hele polder een 'gecontroleerd' overstromingsgebied te maken.

Tot de Tweede Wereldoorlog deden grote delen van de polders dienst voor het telen van wissen, een wilgensoort. Deze wissen of wijmen gebruikte men voor het vlechten van manden, een ambacht dat hier totaal verdwenen is.