Apostelbrokken gooien

Reinaert de Vos

Het rijke historische verleden van Rupelmonde leeft vandaag voort in talrijke folkloristische gebruiken.

Carnavaltraditie

Het zich verkleden en maskeren gebeurt in Rupelmonde, in tegenstelling tot de omliggende gemeenten, reeds sinds meerdere eeuwen. Vooral in de 19de eeuw genoot de carnavalviering hier een grote bekendheid. Een eerste carnavalstoet werd reeds in 1889 georganiseerd.

Witte Donderdagviering en Apostelbrokken

Nog steeds vinden deze twee folkloristische gebruiken plaats op Witte Donderdag.
Wat is de oorsprong daarvan?

In de 14de en 15de eeuw was het de gewoonte van gegoede lieden om hun zieleheil af te kopen door aalmoezen te laten uitdelen bij hun dood. Zo zou een zekere Cornelis Rooman, die geleefd heeft op het einde van de 15e eeuw en gestorven rond 't jaar 1510 de fondatie gesticht hebben.
Cornelis Rooman was baljuw en schepenen van Rupelmonde en heeft het op zich genomen om broodbedeling te verzekeren via een “mandaat”. Een mandaat is de opdracht die door een rijke burger wordt gegeven aan de kerkelijke overheden om aalmoezen te schenken waarvan de kosten door hemzelf worden vergoed. Rooman wou vooreerst de voetwassing ter gelegenheid van Witte Donderdag in ere houden. Op deze dag wordt de instelling van de Eucharistie tijdens het Laatste Avondmaal herdacht; de voetwassing maakt daar deel van uit. Rooman gaf opdracht om allen die meehielpen aan de plechtigheid van de voetwassing een geldelijke beloning en een wit brood te geven.

Waarom dat wit brood?
In die tijd zaaide men vrijwel geen tarwe omdat in het Waasland niet alle akkers geschikt waren voor tarweteelt en bovendien de tarwe gemakkelijker bevroor dan rogge. Daarom was tarwebrood en zeker wit brood een ware lekkernij voor de mindere lieden. Bovendien werd ook aan brooddeling gedaan. Het is niet zeker of het uitdelen van het “mandaatbrood” reeds van in den beginne plaatsvond d.m.v. het te grabbel gooien van de broden. Er werd vermoed dat Rooman op de hoogte was van het feit dat sommige in schijn gegoede lieden in werkelijkheid armer waren dan diegene die voor minder begoed doorgingen. Als de brooddeling werd georganiseerd als een te grabbel gooien, dan kon iedereen eraan meedoen als een soort sport zonder zich te vernederen in het oog van de dorpsgenoten, maar dit blijft toch een gissing: er zijn nergens aanwijzingen in de archieven dat reeds van in het begin de uitdeling van het wit mandaatbrood op die manier heeft plaatsgevonden.

De omstandigheden zijn nu volledig veranderd en men komt niet langer grabbelen naar broodbrokken uit nood, maar wil deze gebruiken op een folkloristische wijze voortzetten, elke Witte Donderdag heeft de voetwassing plaats in de kerk, als apostelen figureren nu jonge knapen (vroeger waren dat pelgrims of bejaarden).Het brood wordt gewijd en van de kerk naar het gemeentehuis overgebracht alwaar het door de vensters van de eerste verdieping naar de menigte wordt gegooid. Om de brokken te bekomen worden de broden in 8 stukken gesneden. In de zestiger jaren is het apostelmaal toegevoegd aan deze traditie om de toeristische aantrekkelijkheid te verhogen.

Schelde- en toerismepromotors

Maar ook het toerisme kent in Rupelmonde reeds een lange traditie. De voornaamste trekpleisters waren de pleziervaart op de Schelde en de talrijke ontspanningsmogelijkheden die de Scheldepolders boden aan vermoeide stedelingen.

Op het einde van de 19de eeuw kwam het toerisme in Rupelmonde, onder invloed van de Vlaamse letterkundige Lodewijk Scheltjens, tot grote bloei. Hij was namelijk de eerste promotor van het toerisme in Rupelmonde.
Lodewijk Scheltjens werd geboren in 1862 te Brussel en bracht zijn jeugd hoofdzakelijk door tussen het werkvolk van de steenbakkerijen. Na zijn studies aan de normaalschool te Gent vestigde hij zich te Rupelmonde en werd onderwijzer. Vooral als toneelschrijver zou Lode Scheltjens bekendheid verwerven. In zijn jeugd maakte hij kennis met de wantoestanden op de steengelagen en met de grote armoede van de arbeiders. De sociale problematiek van die tijd komt ruim aan bod in zijn toneelstukken. Internationale bekendheid kreeg Scheltjens als pionier van de dierenbescherming. In 1946 overleed hij hier te Rupelmonde.
Het woonhuis van Lodewijk Scheltjens (Kloosterstraat 49) staat recht tegenover het geboortehuis van Mercator.

Onder leiding van Scheldedichter Bert Peleman bereikte het toerisme in Rupelmonde in de jaren vijftig en zestig van deze eeuw een nooit gekend hoogtepunt. Centraal daarbij stond het toeristisch en cultureel centrum aan de Schelde "Scaldiana". In de kelders van Scaldiana bevond zich een afbeelding van de Schelde in 12 taferelen. Daarnaast waren de oude schippers- en visserswijk "het Schelleke" en de Rupelmondse kantwerksters belangrijke publiekstrekkers.

De schipperswijk ‘Het Schelleke

Genoemd naar de Vlaamse letterkundige Lodewijk Scheltjens en gelegen langs de Schelde, was destijds in dit dorpsgedeelte een zeer bloeiend handelscentrum.

Jaarlijks wordt in de oude vissers- en schipperswijk de 1e week van augustus "Schellekeskermis" gevierd. In 1902 werd op initiatief vanWijk 't Schelleke Frans Felix een kermis ingericht in de wijk "het Schelleke". Het waren vooral de vrijzinnige arbeiders en de schippers die van deze kermis een waar volksfeest maakten. Vooral de volksspelen kenden toen veel bijval. Tussen de twee wereldoorlogen geraakte deze kermis wat in de vergetelheid, maar na de Tweede Wereldoorlog werd de draad weer opgenomen. Tegenwoordig ligt de nadruk meer op folklore, met alsMuurdecoratie visser hoogtepunt het muzikaal vuurwerk op zaterdag en op zondag de "reuzenstoet", waarin de vijf reuzen van de wijk samen met collega 's uit binnen- en buitenland door de smalle, steil naar omlaaglopende straten van de wijk dansen.

Een impressie van deze folkloristische topper zie je hier.

Industriëlen, schippers en vissers woonden hier samen. Wegens gebrek aan expansiemogelijkheden zijn de talrijke bedrijven van vroeger verdwenen. De schippers die nog steeds talrijk de wijk bewonen, benadrukken de verbondenheid van 'Het Schelleke' met de rivier.
De steil naar omhoog lopende en smalle straten zijn typisch voor deze oude wijk. De structuur is in de loop der eeuwen nauwelijks veranderd. Let vooral op de huisnummers. Ze worden voorgesteld door een figuur, kenmerkend voor de wijk of voor de bewoner. De inwoners namen zelf dit fantasierijke initiatief. Met het benamen van de woningen knoopte men aan bij een middeleeuwse traditie.
Aan het huisnummer 18 in de Kwadamstraat vindt men een 'openluchtmuseum' van zulke huisnummers. In de Vissersstraat 25 hangt een 19de-eeuwse houten laaderker van de voormalige brouwerij Stas. Men wandelt tot de zogenaamde 'Kattenberm' vlak bij de Gelaagstraat. Boven volgt men het smalle dammetje aan de linkerzijde dat een prachtig uitzicht biedt op de kerkpoort.