Rupelmonde ligt op de linker Schelde-oever, tegenover de monding van de Rupel, in het Land van Waas en in het natuurpark "Scheldeland".
Sinds 1 april 1977 maakt het deel uit van de gemeente Kruibeke.
De beenderen en silexstenen, gevonden tijdens de uitgravingen voor de steenbakkersnijverheid, tonen aan dat het grondgebied van Rupelmonde reeds bewoond was in het stenen tijdperk. Ook de Romeinen beschouwden deze plaats waarschijnlijk als één der meest geschikte voor de bewaking en verdediging van de Schelde. De talrijke hier opgegraven voorwerpen en waterputten uit deze periode duiden daar op.
Rupelmonde kreeg zijn eerste keure in 1071 van Robert De Fries. In 1271 ontving de stad van Margaretha van Constantinopel het recht om tol te heffen op de Schelde en Rupel. Belangrijk voor de economische ontwikkeling van de stad was het recht, dat zij in 1330 kreeg van Lodewijk van Nevers, om als eerste en enige in het Land van Waas een weekmarkt in te richten. Alle goederen moesten eerst op de markt van Rupelmonde worden aangeboden, alvorens ze ergens anders mochten verkocht worden.
Vanaf de 12de eeuw ontwikkelde Rupelmonde zich, onder meer door de bouw van een gigantische waterburcht aan de Schelde en door zijn talrijke privileges, tot een ommuurde stad en een centrum voor handel en nijverheid. De stad verkreeg vele benijdenswaardige voorrechten : alle vis, die in de Schelde en in de Rupel, vanaf Saaftingen tot Eikenvliet en Drij Goten, gevangen werd, mocht alleen hier op de markt gebracht worden. Buiten de stad mocht er, in een omtrek van twee uren, geen bier gebrouwen worden. De Rupelmondse schippers mochten te Antwerpen vrij laden en lossen, doch de Antwerpse kregen niet hetzelfde recht te Rupelmonde. Tenslotte waren de poorters en hun goederen vrij van tol en andere rechten, zowel in Vlaanderen als in Brabant.
Rupelmonde verkreeg als een van de eerste Vlaamse gemeenten , de titel en de voorrechten van "poorte ende Vreyheit". De gunstige locatie aan twee belangrijke bevaarbare rivieren en de ligging van het centrum van Rupelmonde vormen zonder twijfel een uitzonderlijk voordeel en hebben zeker bijgedragen tot de bloei van de stad.
Een belangrijke gemeente als deze, met zulke talrijke voordelen, wekte natuurlijk afgunst en nijd op, met oorlogen en verwoestingen als gevolg. Deze oorlogen kwam Rupelmonde nooit meer te boven. Vestingen werden verwoest, stadswallen gevuld en poorten vernietigd. Daarbij voegde zich het verlies van de voornaamste voorrechten en inkomsten.
Maar Rupelmonde kwam terug tot grote bloei in de 19de eeuw. Het ontwikkelde zich tot een industrieel en cultureel knooppunt aan de Schelde. De industriële ontwikkeling ontsproot vooral uit de steenbakkerijen en de zoutziederijen. Daarnaast werkten er nog verschillende brouwers, touwslagers, zeilmakers, mandenmakers, klompenmakers en zeepzieders. Zeer belangrijk was de kantnijverheid.
Al deze sectoren gingen echter verloren. Door de te kleine oppervlakte van de stad, was er, naast gebrek aan uitbreidingsmogelijkheden, zelfs geen plaats voor het aanleggen van industrieterreinen. Momenteel is de belangrijkste economische bedrijvigheid in de gemeente de scheepsbouw.
Het bakken van steen gebeurde in Rupelmonde reeds in de Romeinse tijd. De productie kwam tot grote bloei rond het midden van de 19de eeuw, toen hier een honderdtal steenbakkers actief waren. Dit hoogtepunt was echter van korte duur. Door de uitputting van de kleilagen liep het steenbakken rond 1880 op zijn laatste benen en verplaatste zich naar de naburige gemeente Steendorp. De eens zo bloeiende sector liet zijn sporen na in een diepe afgrond en in met water gevulde kleiputten.
Aan de zijgevel van de oude werkmanswoning aan de Lodderdamstraat nr. 9 waren drie bestempelde stenen ingemetseld. Ze verwezen naar de steenbakkerijnijverheid die in deze wijk gelegen was.